Kolonisten van de afgunst
Ze noemen het journalistiek. Ik noem het kolonisatie van afgunst. Het begint zelden grof. Het begint subtiel. Een kop. Een bijzin. Een ironische observatie. En voor je het weet wordt prestatie gereduceerd tot karakteranalyse. Of gewoon karaktermoord. Ambitie tot verdacht motief. Succes tot iets dat eerst moreel moet worden afgekoeld voordat het mag bestaan. “Dat is Nederlands, Ruud,” krijg ik dan vaak te horen.
Ik zag het bij Jutta Leerdam. Een topsporter op wereldniveau. Iemand die elke dag offers brengt die de gemiddelde columnist niet eens kan spellen. Uren trainen. Strak regime. Publieke druk. Resultaat leveren wanneer het moet. En waar gaat het vervolgens over? Haar relatie. Haar zichtbaarheid. Haar commerciële keuzes. Alsof excellence pas acceptabel is wanneer het zich klein houdt. Alsof succes alleen zuiver is wanneer het zichzelf verontschuldigt.
Hetzelfde mechanisme zie je bij hoogleraar Ronald Meester. Een wetenschapper die het publieke debat niet uit de weg gaat. Op inhoud. Die durft te twijfelen. Die vragen stelt waar anderen slogans roepen. In plaats van inhoudelijke dissectie krijg je framing. Selectieve citaten. Een ondertoon die moet suggereren dat afwijking gelijkstaat aan onbetrouwbaarheid. Geen debat op argument. Maar positionering in kampen.
Bij politici wordt het patroon bijna voorspelbaar. Neem Thierry Baudet. Je kunt hem inhoudelijk volledig afwijzen. Dat is het spel. Dat is democratie. Maar wat we vaak zien is geen analyse van beleid of redenering. Het is psychologiseren. Het is ridiculiseren. Het is reduceren. De persoon wordt belangrijker gemaakt dan het voorstel, omdat dat eenvoudiger scoort.
En dan ondernemers zoals James Asquith uit Groot-Brittannië (binnenkort in de ON POINT. CAST!). Jong. Ambitieus. Succesvol. In plaats van nieuwsgierigheid naar strategie, risico, kapitaalstructuur of executiekracht krijg je insinuatie. Alsof ondernemerschap pas geloofwaardig is na twintig jaar grijs haar en mislukking. Alsof snelheid automatisch oppervlakkigheid betekent. De tijd die ik op YouTube doorbracht om hem te analyseren bracht mij ook bij de slangachtige journalisten en influencers. Ze zeiden het niet letterlijk. Maar alles straalde één hoop uit: laat hem falen.
De rode draad is niet kritisch denken. De rode draad is comfort. Het comfort van analyseren zonder zelf te dragen. Journalisten die nooit een bedrijf hebben gebouwd, beoordelen ondernemers. Die nooit topsport hebben bedreven, beoordelen kampioenen. Die nooit politieke verantwoordelijkheid hebben gedragen, beoordelen bestuurders. Dat mag. Absoluut.
Maar laten we eerlijk zijn over de asymmetrie. Zij riskeren reputatie. Kapitaal. Fysieke uitputting. Verkiezingsverlies. De schrijver riskeert hooguit een scherpe column en wat digitale verontwaardiging.
Het wonderlijke is – en dat bevestigt dit verhaal – dat dit soort kritiek zelden komt van mensen die zelf op topniveau presteren. Het komt van zijlijncommentatoren. Begrijp me goed. Onderzoeksjournalistiek die corruptie blootlegt is essentieel. Macht moet gecontroleerd worden. Transparantie is een fundament van een vrije samenleving. Maar het koloniseren van andermans succes met morele zuurheid is iets anders. Dat is geen controle op macht. Dat is commentaar op ambitie.
Afgunst schreeuwt niet. Het fluistert. Het vermomt zich als kritische afstand. Als ironische relativering. Als zogenaamd evenwicht. Maar onder de oppervlakte zit iets anders. De irritatie dat iemand groter speelt. Sneller groeit. Meer zichtbaarheid claimt dan de journalist comfortabel vindt. Makkelijker om iemand naar beneden te trekken dan zelf omhoog te bouwen. Makkelijker om te schrijven over druk dan onder druk te presteren. Je ziet het terug in goedbedoelde prestatieboekjes.
Ik claim het domein van resultaat in leven en business. Wie dat domein betreedt om te observeren, moet zich bewust zijn van zijn positie. Schrijf. Analyseer. Stel vragen. Maar erken het verschil tussen bouwen en beschrijven.
Zonder eigen inzet blijft kritiek leeg. En leegte wint nooit van resultaat.