De paradox van ‘druk’ zijn
Er is iets merkwaardigs aan 'druk zijn'. Mensen die veel doen, lijken vaak ruimte te hebben om nóg iets te doen. Terwijl mensen die relatief weinig doen juist sneller het gevoel hebben dat iets erbij te veel wordt.
Dat klinkt als een paradox. Maar het zit niet in het verschil hoeveel tijd mensen hebben. Het verschil zit in hoeveel tijd ze hebben om na te denken over hoe druk ze (zouden kunnen) zijn.
Momentum is geen gevolg van capaciteit. Momentum zorgt voor capaciteit.
Wie veel doet, is bezig. Je werkt, sport, brengt kinderen ergens naartoe, hebt afspraken, belt tussendoor iemand terug en rijdt door naar het volgende. Niet omdat je over oneindig veel energie beschikt en ook niet omdat je dagen meer uren bevatten dan die van een ander. Je bent simpelweg in beweging.
Beweging maakt nieuwe beweging makkelijker. Dat kun je bijvoorbeeld herkennen als je in de sportschool bent.
Als er iets bijkomt, denk je daardoor vaak niet uitgebreid na over de vraag óf het nog wel kan. Je kijkt waar het past. Een telefoontje kan onderweg. Een afspraak kan tussen twee andere afspraken. Een klus van een uur kan morgenochtend. Je organiseert, schakelt en gaat verder.
Juist wanneer je minder doet, ontstaat regelmatig het tegenovergestelde. Er komt meer ruimte om vooruit te denken. Accurater gezegd: gedachtes te hebben over wat zou kunnen zijn en hoe je dat mogelijk gaat ervaren. Niet alleen over wat je moet doen, maar vooral over hoe dat allemaal zal voelen. Dat speelt zich af in iemand hoofd, niet in de realiteit.
"Als ik dat erbij doe, wordt het wel een drukke week. Dan heb ik dinsdag al drie afspraken. Woensdag moet ik ook nog ergens naartoe. Dan zal ik donderdag wel moe zijn. Misschien moet ik vrijdag dus maar niets plannen".
Zo kun je op maandag al moe worden van de donderdag die nog komt.
Niet omdat je donderdag daadwerkelijk te veel hebt gedaan, maar omdat je de belasting ervan in je hoofd alvast doormaakt.
Daar zit volgens mij een belangrijk onderscheid. Je kunt daadwerkelijk te druk zijn, maar je kunt ook vooral veel bezig zijn met de gedachte dat het druk gaat worden. In het eerste geval vraagt je leven te veel van je. In het tweede geval vraagt vooral de verwachting van dat leven veel van je.
Wie in actie is, heeft daar simpelweg minder ruimte voor. De volgende afspraak is de volgende afspraak. De volgende taak is de volgende taak. Je hoeft om tien uur 's ochtends nog niet te bepalen hoeveel energie je om vier uur 's middags zult hebben. Je merkt het tegen die tijd wel.
Dat betekent natuurlijk niet dat altijd maar doorgaan gezond of verstandig is. Er zijn grenzen. Structureel te veel van jezelf vragen breekt je uiteindelijk op. Rust is noodzakelijk. Herstel ook.
Maar rust is iets anders dan stilstand. Daadwerkelijk moe zijn is iets anders dan vooraf bedenken dat je waarschijnlijk moe gaat worden.
Dat onderscheid vind ik interessant, omdat we energie vaak behandelen alsof het een vaste hoeveelheid is. Alsof je 's ochtends wakker wordt met een batterij van honderd procent en iedere activiteit daar iets vanaf haalt. Dus hoe minder je doet, hoe meer energie je zou moeten overhouden.
In de praktijk werkt dat niet zo.
Een dag waarop je bijna niets doet, kan je soms vermoeider achterlaten dan een dag waarop je van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat bezig bent geweest. Niet omdat drukte per definitie goed is, maar omdat energie ontstaat uit beweging, ritme, resultaat en momentum. Daarom ben ik groot tegenstander van 'met pensioen gaan'.
Wie veel doet, traint bovendien onbewust zijn vermogen om veel te doen. Je leert sneller beslissen. Je organiseert beter. Je verspilt minder tijd tussen activiteiten. Je weet wat belangrijk is en wat kan wachten. En misschien nog belangrijker: je onderhandelt minder met jezelf over iedere volgende stap.
Wie weinig doet, loopt het risico precies het tegenovergestelde te trainen. Een activiteit wordt groter omdat er veel ruimte omheen zit. Een afspraak van een uur wordt een gebeurtenis. Een drukke middag wordt een drukke dag. Een drukke dag wordt in je hoofd een drukke week.
Zo ontstaat de paradox van druk zijn.
Hoe minder je doet, hoe meer ruimte er kan ontstaan om na te denken over alles wat je nog moet doen. Hoe meer je daarover nadenkt, hoe groter het kan voelen. Hoe groter het voelt, hoe minder zin je hebt om eraan te beginnen. Hoe minder je doet, hoe moeilijker het wordt om weer in beweging te komen.
Andersom kan hetzelfde mechanisme vóór je werken. Je begint. Je komt in beweging. De eerste actie maakt de tweede makkelijker. Je merkt dat het lukt. Je krijgt energie van het resultaat en voordat je het weet heb je meer gedaan dan je vooraf dacht aan te kunnen.
Daarom moeten we niet wachten op energie voordat we in actie komen. Of motivatie.
Energie ontstaat door actie.
Dus maak die afspraak. Doe die training. Bel die klant. Schrijf dat voorstel. Pak dat project op. Beoordeel daarna eens hoe moe je daadwerkelijk bent, in plaats van vooraf te besluiten hoe moe je waarschijnlijk gaat worden. Waarschijnlijk heb je meer ruimte.
Want de mensen die veel voor elkaar krijgen, hebben niet noodzakelijk meer tijd of energie.
Ze zijn vaak vooral in beweging.
Momentum is geen gevolg van capaciteit. Momentum creëert capaciteit.